zaterdag 19 juni 2010

Huize Etna

Naast het toilet in de badkamer van Huize Etna, dat zich onderaan de steile trap naar de woonverdieping van het studentikoze huis bevindt, ligt een Grazia. Hij is al door enkele vrouwenhanden beroerd, is aan de vouwen verspreid over de cover te zien.
‘Kathelijn (25): ik ben constant opgewonden’ weet het blad te melden. Ik moet eerlijk zeggen, mijn handen jeuken om stiekem een kijkje te nemen in het real life katern, alwaar het persoonlijke verhaal van de dame in kwestie in geuren en kleuren zal zijn opgetekend.
Ik doe het toch maar niet. De fantasie gaat zijn eigen beloop en met beelden van een constant opgewonden Kathelijn in mijn hoofd richt ik mij weer op het toilet, waarboven vier flikkerende kaarsjes voor het prille licht in de badruimte zorgen.
En stiekem overmant in mijn onderbuik een licht gevoel van medelijden, met Kathelijn welteverstaan. Of het is gewoon de Captain Morgan die begint te werken, dat kan ook.

Captain – ‘mix het met cola en het smaakt naar cola vanille’ – Morgan is een lichtzoete witte rum die je cola, zoals bewoonster van Huize Etna Britt al aangaf, inderdaad als cola vanille laat smaken. En laat cola vanille nu net één van mijn favoriete drankjes zijn, zoals ik sowieso wel houd van speciale varianten van de gevestigde merken. Voorbeeld?
Zo at ik in London, in de tijd toen Marsrepen nog echte repen waren in tegenstelling tot die zielige chocoplaquettes van nu, van de Mars Midnight.
In Duitsland zet ik mijn lippen al sinds ik me kan herinneren op een flesje Mezzomix, een mix van cola en sinas.
In Frankrijk ontdekte ik Coca Cola Orange, een drankje dat de Nederlandse markt jammer genoeg nooit heeft gehaald.
En in Kroatië maakte ik kennis met Cockta, naar wat ik eerst dacht een goedkope Cola-variant, maar niets bleek minder waar. Cockta – honderd procent Sloveense import – is gemaakt van rozenbottels. Voor de triviagekken onder ons: de bessen die groeien aan de hondsroos. De eerste drie slokken leken perfect, maar daarna ging het bijna direct weer via de slokdarm naar buiten. Nee, niet alle speciale drankjes zijn voor mij gemaakt.

Terug in Huize Etna nestel ik mij op de bank in de woonkamer. Nouja, nestelen. Ik zak diep weg en verdrink bijna tussen de zachte donkerblauwe kussens. Net op tijd kom ik weer boven voor een hap verse zuurstof.
Ik zit.
Tevreden grijp ik nog een kaasstengel uit een fleurig bakje dat – naar ik me heb laten vertellen – voorheen diende als plantenbak en ik kijk naar mijn voormalige Albert Heijncollega’s die een drankspel spelen. Even daarvoor vierde ik in het filiaal aan de Eschmarkelaan mijn definitieve afscheid van de grootgrutter. En op deze afterparty in Huize Etna drink ik voor de laatste keer een biertje met wat naaste AH'ers. Voor de laatste keer als collega tenminste, want stiekem hoop ik dat de avond nog een vervolg krijgt. Als was het maar om nog één keertje die Grazia te bekijken.

vrijdag 16 april 2010

Index

Wat er gebeurt als een groep nooit volwassen geworden achttienjarige pubers een avond wordt losgelaten in discotheek Index en je ze na afloop aangeschoten aantreft in het vervoer terug naar Enschede. Wat volgt is een globale weergave van het onzinnige gesprek van de groep; een mix van stoerpraat, straattaal en stopwoorden. We vallen in als twee jongens te laat voor het busje zijn.

“Hee, gast… waar was je nou man, gast?”

“Dude, er was iemand zijn jas kwijt, dan moeten we wachten, kunnen we niks aan doen toch? (draait zich om naar de chauffeur en steekt zijn hand uit) Ik wil u wel even bedanken voor het wachten meneer. (De grijsaard knikt opgewekt en zegt dat het niet uitmaakt. Waarschijnlijk is hij al lang blij dat er eens iemand tegen hem begint te praten).

“Hee, gast, volgens mij stond je gewoon met een wijf te bekken man.”

“Dude, nee man. Jij hebt wel lopen bekken zeker.”

“Gast, ik heb vandaag gebekt met een lekker wijf zeg. Ik zou haar zo kunnen batsen denk ik.”

“Ik zou Danniëlle wel eens willen batsen.”

“Ahw, gast! Daniëlle? Die heb ik al gebatst man.”

“Serieus?”

“Jah… echt waar. Gast. Twee keer. Toen het even uit was.”

“Met Fleur?”

“Jah toen. Twee keer gebatst. Ze heeft een lekkere strakke kut hoor.”

“Hahaha.
(Hij denkt na)
Man, ik heb weer zin in vakantie man.”

“Ja ik ook man. Zuipen en batsen.”

(een derde bemoeit zich met het gesprek)
“We moeten eens naar een grote stad man. Barcelona ofzo.”

“Ahw, gast, dat is niks man. Vakantie met vrienden moet je niet cultureel ofzoiets gaan doen. Ik bedoel, dat is best leuk met je chickie, maar met vrienden moet je gewoon uitgaan en naar het strand en zuipen.”

“Klopt. Vorig jaar gingen we ook naar Spanje en we wilden één dag naar Barcelona. Maar we zijn niet gegaan, het geld was op omdat we alles opgezopen hadden hahaha.”

(een jongen richt zich op ons)

“Hey gasten…. Hebben jullie nog een lekker wijf gepakt vanavond?
Gasten?
Hej, gasten….
Hebben jullie nog een lekker wijf gepakt vanavond?
Hej gasten…..”

Leroy en Patrick kijken elkaar voor de zoveelste keer tijdens het enerverende gesprek met gefronste wenkbrauwen aan.
(Leroy zucht)
“Nee, we hebben een vriendin.”

Patrick knikt.

Ik lieg mee.

Allard doet alsof hij slaapt en leunt met zijn hoofd tegen het raam van het passagiersbusje.

“Dude, jullie hebben een vriendin? Jammer voor jullie man!”

zondag 4 april 2010

Tik

Ik heb het tot één van mijn kunsten verheven om me te kunnen irriteren aan kleine, constante geluidjes. Neem bijvoorbeeld de vaste klant die we bij de Albert Heijn hebben. Jonge kerel, net dertig, nonchalante kop, arrogante zeurende uitstraling, groene polo met witte kraag. En soms in het bezit van zijn blonde anderhalf jaar oude zoontje, waar hij eenzijdige gesprekken mee voert over kaas, worst en ander voedsel dat in de winkelwagen verdwijnt. Als je het mij vraagt puur om de aandacht van andere klanten te trekken. En wat deze kerel écht zo irritant maakt is dat hij op twintig meter afstand is te herkennen aan de luide ‘klak’ dat zijn ontploffende kauwgombel produceert. Niet één, niet twee, maar wel honderd keer klinkt het geluid op zaterdagmiddag. Genoeg om mij compleet van slag te krijgen, want als ik me eenmaal aan een geluidje irriteer, dan kan ik mijn hoofd er niet van af zetten.

Dinsdag in de trein naar school. Meer dan een halfjaar geen fatsoenlijke treinreis ondernomen, dus dan is het even wennen als je weer in een coupé zit opgesloten met de meest diverse en markante figuren die onze samenleving rijk is. Geconcentreerd zit ik te lezen en luister ik ondertussen naar de vrolijke noten van Acda en de Munnik op de Mp3-speler. Dan klinkt er een harde ‘tik’ boven de muziek uit. En nogmaals ‘tik’. Een kort, maar fel geluid… alsof je de linkermuisknop goed en diep indrukt. Als ik uit frustratie bijna aan de bladzijden van mijn boeiende boek begin te knabbelen, zie ik de dader van het irritante geluid. Een donkere man staat op en aait over zijn grijze haar. Dan verwijdert hij met één veeg de achtergebleven nagels op zijn treinstoel. Verschrikkelijk, deze gewoonte in de trein. Des te meer, omdat ik tussen Deventer en Zwolle nog zo’n figuur naast mij blijk te hebben zitten. ‘Tik….. Tik…. Tik…’ De nagels vliegen me bijna om de oren en de nagelknipster lijkt er geen enkel probleem mee te hebben.

Terug in de trein naar Enschede (ja, ik zit tegenwoordig langer in de trein dan op school) denk ik rustig in mijn boek verder te kunnen lezen. Ik heb me vergist, want al voor het vertrek uit Zwolle hoor ik weer dat irritante getik ergens uit de coupé. Vermoeid kijk ik naar buiten. Op een ander perron maakt een overjarige rasta (inclusief Osama-baard) de boel schoon, daarbij zittend op een schoonmaakmachine met ingebouwde borstels. Wat als de man nu een paar centimeter van zijn koers afwijkt en een nietsvermoedende voorbijganger schept, denk ik. Of wat als hij zelf niet oplet en zo op het drukke spoor stort? Vertrekt mijn trein dan nog wel op tijd?. Het andere raam biedt niet veel beter uitzicht. Twee spoorwegmedewerkers, van wie de gele jas en volgepakte oranje rugzak zó vel afsteken, dat ik bijna zou moeten turen om de mannen in de gaten te houden. Ze lopen naast het spoor en lijken onrustig. Continu kijken ze achterom, alsof ze een aanstormende stoomlocomotief verwachten. Die blijft uit, waarna één van de twee spoorwegmedewerkers, een rossige man met bolle rode wangen, een gezellig gesprek met zijn ongeïnteresseerde collega probeert te voeren. Ik besluit me weer te verdiepen in Gil Reavill’s schoonmakers van de CSI, maar kom in de twintig minuten durende rit naar Deventer niet verder dan drie bladzijden. Het getik brengt me van de wijs. Bij het verlaten van de trein verwacht ik bij het meisje dat het geluid het laatste half uur produceerde een hoge berg met nagels. Zou ze maar meteen die van haar tenen hebben bijgewerkt? Wat volgt is een anticlimax: de nerveuze griet blijkt al die tijd met haar pen te hebben zitten spelen. Het wordt tijd voor een tikverbod of een tikvrije coupé; ik raak namelijk van al dat getik getikt.

maandag 29 maart 2010

Voorjaar

‘Het is weer rokjesdag’, zou wijlen columnist en schrijver Martin Bril gezegd hebben als hij donderdag één van de vele genietende terrasbezoekers in Enschede was geweest. En gelijk zou hij dan hebben, want het wás rokjesdag. Een korte, maar behoorlijke stijging van de temperatuur en de kledingkast van menig vrouw wordt volledig op zijn kop gezet om de dikke bontjassen en lange spijkerbroeken in te ruilen voor rokken en panty’s. En als dat – of het goedsmakende, kruidige Jupiler – het hoofd van Jesper en mij al niet op hol deed slaan, dan was het wel de lente.

De lente zit in de lucht, je zintuigen schreeuwen het uit als je een stap naar buiten waagt. De zoete, frisse geur van het voorjaar en van natgeregende straatstenen. Je neus die je longen en hersenen van een gezonde dosis pure zuurstof voorziet. Het is niet uit te leggen, het is niet te vergelijken. Het is het moment dat je eenmaal per jaar ervaart als je naar buiten loopt en je weet: het is voorjaar.
Het gevoel van het warme zonnetje en de zachte, frisse bries. Te koud om zonder jas te lopen; rits geopend, trui uit. Je proeft het in het bier, in alles, maar vooral in het fruit als je smaakpapillen weer open staan voor een mengelmoes van zoet en bitter. Je ziet het aan de duiven die weer vechten voor de mooiste plek op de dakgoot. Of de bejaarde – anders zo mopperende – hond, die het tafereel met kwispelende staart aanschouwt, als ware hij in zijn jonge jaren. En je hoort het. Je hoort het als je opstaat. Een vogelconcert met mussen, lijsters en merels die een nieuwe voorjaarsochtend vrolijk tegemoet zingen. Ze lijken uit een lange, ijzige winterslaap getoverd.

En langzaam ontwaak ook ik uit die winterslaap en besef me dat ik te lang te weinig blogs heb geschreven. Daarom wordt het hoog tijd dat ik mijn writer’s block na mijn lange stage definitief de deur wijs en ga zorgen voor nieuwe producties. Tenminste, als de lezers inmiddels niet zijn afgehaakt natuurlijk.

vrijdag 12 februari 2010

Hennepplantage

Dinsdagochtend 11.00 uur, Duivekervel, Oldenzaal. De gure wind doet de gevoelstemperatuur neigen richting dubbele cijfers in de min. Er zit sneeuw in de lucht; wit poeder dwarrelt zich een weg door het doorzichtige grijze wolkendek. Hoe toepasselijk voor het moment waarop een hennepplantage voor mijn neus wordt ontmanteld.

Even daarvoor zat ik nog op de redactie aan de Groote Markt. Er was een tip binnengekomen over een ontruiming aan de Duivekervel. Dus mag ik een kijkje nemen… met fotocamera natuurlijk.
Het was haasten. Je weet immers nooit of het om een grote of kleine plantage gaat.
Aangekomen blijkt dat zelfs de ontruimingsdiensten nog zijn gearriveerd. Wel lopen er enkele politieagenten en rechercheurs in het pand, dat door de inval een half uur eerder twee voordeurruiten moet missen.
Dan maar terug in de auto. Muziekje erbij en wachten… wachten op de ontruimingsdiensten.

~

Als ik in mijn binnenspiegel een takelwagen, voorzien van afvalcontainer, zie passeren weet ik genoeg. De ontruiming gaat beginnen. In het kielzog van de takelwagen komt een auto met bakken voor de hennepplanten, de aannemer en een medewerker van een gasbedrijf. Als ik tien minuten later druk aan het fotograferen ben richting het openstaande slaapkamerraam – van waaruit allerlei kweekhulpmiddelen in de container worden geworpen – komt een kale rechercheur aangelopen.

“Jij bent er snel bij”, zegt hij met een brede lach.
“Ik ben ingelicht”, antwoord ik terwijl ik me gelijk maar even voorstel.
“Door wie?” En de kale agent kijkt me nieuwsgierig aan.
Op dat moment weet ik nog niet wie onze redactie heeft ingelicht over de ontruiming, maar omdat ik het in dat geval ook niet zou zeggen, houd ik het lekker mysterieus.
“Dat mag ik niet zeggen.”
De rechercheur lacht. “Dat mág je niet zeggen of dat wíl je niet zeggen?”
Leuk, zo’n bijdehante opmerking. Maar ik houd voet bij stuk.
“Ik mag het niet zeggen én ik wil het niet zeggen…… en ik weet het ook niet trouwens”, biecht ik dan maar op.
De kale politieman lacht weer.
Nu stel ik de vraag: “En wat kan jij mij hierover vertellen?”
De rechercheur voelde de vraag al aankomen en is goed voorbereid.
“Ik kan hier nog niets over zeggen”, is het verwachte antwoord, “maar ik denk dat het wel duidelijk is dat het om een kwekerij gaat.”

Ik zeg dat ik datzelfde vermoeden ook heb.
Samen kijken we nog even naar het openstaande slaapkamerraam, als een in oranje gehulde schoonmaker een grote, lege kartonnen doos in de afvalcontainer gooit.
En inmiddels is de Duivekervel bedekt onder een flinterdun laagje poedersneeuw.


[Foto: Wilco Louwes, Bron: TC Tubantia]